Al bijna een maand is de PVV van Geert Wilders volgens de peilingen de grootste partij van Nederland zou zijn. Als Geert iets goed kan, is het wel gebruik maken van de media om zijn boodschap voor het voetlicht te brengen. Het gaat mij in deze post niet om de PVV zelf. Ik wil nader ingaan op het huidige verkiezingssysteem en de gevolgen ervan.
Wat momenteel gaande is in de politiek laat zich goed beschrijven door het ondernemersmodel. Nederland heeft een veelpartijenstelsel en op zich is het prachtig dat er voor ieder politiek geluid er ruimte bestaat. Het probleem is steeds om deze verschillende geluiden met elkaar te verenigen. Om aandacht te krijgen, zet je je af tegen andere partijen, maar tegelijkertijd moet je toch met elkaar een regering vormen. Anders is het land onbestuurbaar geworden.
En de crisis (conflictfase) waarin het politieke systeem verkeert is het bestaan twee tegengestelde krachten. Je kunt stemmen trekken door polariserende standpunten in te nemen en weinig bereid zijn om concessies te doen naar andere partijen. Maar hiermee is een deelname aan een regering haast uitgesloten. Dit fenomeen doet zich zowel aan de linkerkant als de rechterkant van het politieke spectrum voor. De vraag is, welke systeemverandering is nodig om onderlinge verschillen met elkaar te verenigen.
De partijen die wel bereid zijn om over en weer concessies te doen, maken wel kans om met elkaar een regering te vormen. Maar deze concessies zijn koren op de molen van de polariserende partijen. En de achterban die zij vertegenwoordigen zien hun keuze voor een standvastige partij weer bevestigd. En wekelijks kunnen we de tussenstand vernemen via peilingen. En in tegenstelling tot de koersen op de beurs, zijn hier niet alleen verliezers maar ook winnaars.
De peilingen vormen een belangrijk onderdeel in de politiek, al zal geen enkele politicus ronduit toegeven dat hij of zij rekening houdt met de peilingen. Uiteindelijk worden de acties van een politicus in de media altijd gewogen aan de hand van deze koersuitslagen. En het vervelende is dat dit het maken van goed en afgewogen beleid lastiger maakt.
Regelmatig verdedigen politici hun keuzes door te wijzen op hoeveel kiezers zij wel niet vertegenwoordigen. Zo verdedigde Rita Verdonk destijds haar keuze om toch voor het leiderschap van de VVD te gaan, doordat zij zoveel kiezers had aangetrokken. En toen ik dat haar toen hoorde zeggen, vroeg ik me af: hoeveel mensen zouden tegen haar stemmen. Wat nou als we niet alleen een stem maar ook een tegenstem zouden hebben.
Dus wanneer iemand roept: ik vertegenwoordig 500.000 kiezers, dat dan iemand kan roepen: maar er zijn 700.000 mensen die expliciet niet voor jou kiezen. Is de verhouding stemmen versus tegenstemmen geen goede graadmeter voor de mate waarin je in staat bent om zinnig beleid voor te stellen dat tevens rekening houdt met wensen van andere volksvertegenwoordigers?
Laten we in gedachte dit eens stap verder nemen. Stel dat je in het kieshokje zowel een stem voor een partij als tegen een partij kan geven. Je mag desgewenst blanco-stemmen of blanco-tegenstemmen. Alle stemmen voor een partij worden opgeteld en alle tegenstemmen worden daar weer vanaf getrokken. Zou een dergelijke eenvoudige toevoeging aan ons kiesstelsel er niet toe kunnen leiden dat het politieke debat veel meer gaat over wat ons bindt dan wat ons van elkaar doet verschillen (zoals nu het geval is)?
Ik weet het antwoord niet, maar het lijkt me op z'n minst interessant om dit eens te meten. Ik zal Maurice eens peilen of hij er wat voor voelt dit te doen.


RSS
